Sharon Hagenbeek is Watching You!

Mislukte brug tussen dromers en bouwers

18 december 2008 door Sharon Hagenbeek

G. van Hagen, Bouwen doe je zo!
Cossee 2008, 237 blz.
9789059362246

De titel van ‘Bouwen doe je zo!’ wekt de indruk dat het een vermakelijk boek zal zijn, een tragi-komisch verhaal over een verbouwing. Helaas blijkt het niet alleen een verhaal dat je inderdaad doet terugschrikken, mocht je zelf ooit willen gaan bouwen of verbouwen; je hebt bovendien het glossarium dat erbij geboden wordt hard nodig, want je wordt zowat doodgeslagen met technische omschrijvingen.

Als je ervoor kiest om in dit verhaal te duiken, dan word je meegenomen door Ko de Groot. Ko werkt voor het bedrijf van de familie Freud. Oprichter en eigenaar Daniel Freud heeft zich gespecialiseerd in het restaureren van grachtenpanden in Amsterdam. Ko werkt al het nodige aantal jaren voor Daniel als uitvoerder. Hij is degene die als werknemer de andere werknemers probeert te sussen en als het ware koorddanst om iedereen bij elkaar te houden. Zo is het ook bij de nieuwe opdracht. Het bedrijf heeft al de nodige serieuze problemen en moet het hebben van een volledig soepel verloop van het project om die problemen nog het hoofd te kunnen bieden. En het project is Keizergracht 98, waarin een wooncollectief al jaren lang gelukkig woont. Het restauratiewerk is een grote klus, want de a-technische bewoners hebben het pand nooit goed onderhouden.

De woongroep is een familie uit de hippietijd. Meerdere stellen met kinderen van elkaar die bij elkaar in een groot grachtenpand wonen. Zij krijgen als personages weinig diepgang. Zo wordt standaard als beschrijving van een personage een gods eye-perspectief ingenomen dat begint bij welke opleiding men heeft gevolgd en wat er sindsdien van hem of haar geworden is. In het verhaal maken zij ook dingen mee, maar die zijn niet belangwekkend genoeg om de verhaallijn in zijn kern anders te doen laten verlopen. Zelfs als één van de getrouwde mannen uit het wooncollectief een affaire krijgt met wat later de vrouw van Daniel blijkt te zijn, is er nog geen significant verschil in de ontwikkeling opgetreden.

Gaandeweg wordt duidelijk waarom de woongroep de verbouwing volstrekt onmogelijk gaat maken. Ze zijn met meerderen, dus ze moeten onderling overeenstemming vinden en de firma Freud is niet in staat ze dat in te laten zien. Het zijn niet makkelijke mensen en ze hebben niet goed uitgelegd gekregen dat ze zelf met de troep blijven zitten. Ze kijken op de verkeerde manier naar de uitgaven van het project. Bovendien vormen ze geen coherente groep. Er zijn te veel persoonlijke belangen in het spel.

Toch is die problematiek niet hetgene waar in dit verhaal de focus op gelegd wordt; echt belangrijk is de interne onevenwichtigheid van de firma Freud. Daniel vindt dat Ko niet genoeg op de centen let en Ko vindt dat Daniel er juist te veel op let. Ko voelt zich niet begrepen, want het gaat hem om het bouwen. Hij is gek op klussen en in zijn functie als uitvoerder is hij meer tijd kwijt zich te verantwoorden aan Daniel dan aan het uitoefenen van zijn prachtige beroep. De twee lijken wel symbool te staan voor veel voorkomende huwelijksproblemen. Dat is ook het goede aan het verhaal: het laat je zien dat de droom van bijna elke verbouwing niet eens lijkt op de realiteit. Die droom houdt nooit rekening met de manier waarop mensen echt zo’n proces doorstaan of hoeveel verschil er is tussen technisch denken te zijn en daadwerkelijk technisch talent hebben. Om die les te leren is dit boek een stuk vermakelijker dan op de harde manier.

Ko daarentegen maakt het wel allemaal in het echt mee. Het is dan ook jammer dat zijn personage zelf ook de zwakte van dit boek is. Hij refereert aan boeken, schilderijen en klassieke muziek, maar eigenlijk is hij alleen geïnteresseerd in de bouw. Als hij thuiskomt, drinkt hij een “pijpje koude Bav”, eet en gaat slapen. Van Hagen besteedt niet alleen veel aandacht aan hoe prachtig Ko zijn werk vindt, maar haalt ook mooie manieren van omschrijven uit de kast om het te laten klinken alsof Ko bezig is met kunst. Zulke eloquente taal past niet en kan ook niet verbloemen dat het hier niet om hoge cultuur gaat, maar om technische vaardigheden. Mooi taalgebruik om zelfs de vervelende en saaie details te beschrijven kan heel prettig zijn, maar het gaat wel nog steeds over dezelfde dingen. Bovendien illusteren die toevoegingen hier niet waarom al die details belangrijk zijn voor het personage – nog steeds is Ko’s passie voor de techniek niet goed te rijmen met zijn denken. De brug ertussen ontbreekt.

Zo krijgt Ko’s passie wel een achtergrond, maar niet een diepgaande. Ko heeft zijn beroep van vader op zoon meegekregen:

“Zijn vader, naar eigen zeggen zelf timmerman ‘in bloed en nieren’, was daar elke zaterdag te vinden en Ko was er niet weg te slaan. Hij leerde de kunst van verbindingen maken, halfhout, zwaluwstaart, pen en gat, niet met de hand maar op een stationaire cirkelzaag die pa samen met zijn zwager in elkaar had gefabriekt. Je kon niet de zaag, maar wel het blad onder een hoek zetten, motortje met drijfriem eraan, en alles bleek mogelijk: schulpen, afkorten, verstekken, sponningen slaan, u vraagt, wij zagen. Het schuurtje was zo klein dat er precies boven de cirkelzaag een afneembaar dakluik was geplaatst om – als het droog weer was – stijleinden van enige lengte rechtop door de machine te kunnen halen. Een wandluik bood op soortgelijke half-binnen-half-buiten wijze de mogelijkheid om delen langer dan 1500 mm met het vlak-vandiktebankje te bewerken. Op dezelfde motor kon, op voorwaarde dat de ene drijfriem op listige wijze werd vervangen door de andere, een langgatboor worden aangestuurd. Een schuurband annex slijpmachine completeerde dit geïmproviseerde machinepark.”

Maar als je dit leest als bouwleek, slik je, en besluit je uiteindelijk je ogen over de zinnen te laten gaan zonder dat je begrijpt waar het over gaat. Als het eindelijk voorbij is, is het te lang en te veel geweest om je als lezer nog met de laatste zin terug in het verhaal te laten slepen. Zelfs al is het een romantisch, herfstachtig beeld dat die zin oproept:

“Zijn vader was allang overleden, maar in het schuurtje was alles blijven staan en de vertrouwde bosgeur van grenenzaagsel hing er nog altijd.”

Deze korte omschrijving van Ko’s nostalgie bij de herinnering is te kort en weinig diepgaand. Daarmee is duidelijk hoe ongeloofwaardig hij als personage is. Hij dweept met techniek, maar die hartstocht wordt niet emotioneel voelbaar. Daarom is het moeilijk je erin in te leven. Als dit daadwerkelijk is zoals hij bedoeld is – een intelligent mens en een gepassioneerd bouwer -, waarom heeft hij dan alleen maar frustraties over de mensen die zijn vak niet begrijpen? Zo is dit boek zelf ook: een verhaal dat bedoeld is om de lezer een brug te bieden naar de wereld van de bouwtechniek, maar dat daarbij zelf nog wel wat hulp kan gebruiken.

Share Share

Boekrecensies

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer