Normaliter denkt men niet aan een ghostwriter als een oorspronkelijke auteur. Of dit terecht is of niet valt beide kanten op te beargumenteren. Die discussie wordt ten overvloede aangezwengeld door “Soms sloot ik mijn ogen”.
Ghostwriter Otto Vrijbloed volgt Nisha Bijlsma, die als kind geadopteerd is, terug naar haar geboorteland India. Het is de bedoeling dat hij haar levensverhaal schrijft: een kind dat uit een problematische situatie is ontsnapt en dat de waarheid gaat zoeken. De onduidelijkheden over haar verleden houden je er als lezer gemakkelijk bij, maar naarmate het verhaal vordert blijkt steeds meer dat Nisha de boel bij elkaar verzint.
Waar het haar dan wél om gaat, het krijgen van Otto’s kind zo wordt tegen het einde duidelijk, maar tegen die tijd is dat niet iets dat er nog toe doet. Steeds meer grijpt zij terug naar de mystiek van haar hindoeïstische wortels. En misschien gelooft ze nog wel goed in hindoeïstische begrippen, maar eigenlijk is zij ronduit gestoord. Hierdoor vervalt het verhaal in een overdaad van symboliek, die Nisha in alles en Otto ziet. Hij is als haar vader en hij bestaat in haar verhaal om met haar het kind te scheppen.
Terwijl Otto om een hele andere reden Nisha’s geschiedenis probeert vast te leggen, levert hij haar het verhaal op dat zij wil hebben. Een verhaal op dat letterlijk hun gezamenlijke kindje is, maar hij wil er niets meer mee te maken hebben. Dát verhaal, dat kind wilde hij haar echter niet geven. Otto leeft als ghostwriter voor de mogelijkheid een ander in te vullen als ware het een leeg persoon. Otto heeft het bestaan van een loser. Nu wordt er iets van hem opgeëist dat hij niet van plan was te geven: zijn inhoud, zijn mogelijkheid tot het scheppen van nieuw leven. Hij is en blijft nu eenmaal de schrijver van andermans verhaal. Om het in diens eigen woorden te stellen:
‘Niets dan offers moest je brengen als ghostwriter, en uiteindelijk ging degene voor wie je jezelf zo klein had gemaakt met jouw moeizaam vergaarde vruchten aan de haal. Stank voor dank. Je reinste masochisme was het, dat wist hij ook wel. Erger nog: hij was ervoor geboren. Dat was zijn enige talent: virtuoos in het stof te kruipen voor iemand anders – iemand die nog niemand was, pas iemand werd dankzij hem, de man die altijd onzichtbaar bleef, de sublieme schim die als stof uiteen zou vallen zodra men de schijnwerpers op hem zou richten.’
“Soms sloot ik mijn ogen” is een roman die met te veel precisie in elkaar is gezet. Daardoor duurt het ook lang alvorens deze vertelling op gang komt en lukt het je ook niet om te genieten van dit verhaal. Met een voor de lezer bekende verteller aanwezig, degene die Nisha op de voet volgt, haar ghostwriter, duurt het de nodige tijd voordat leest wat wel belangrijk is in dit boek. Als lezer stoor je je eerst aan het karakter van Otto en probeer je de levensgeschiedenis van Nisha te zien, totdat je realiseert hoe onbelangrijk dat verhaal is. Terwijl het karakter van Otto niet verder komt dan die zielige en lege persoon die alleen maar een mooi verhaaltje probeert te schrijven, wordt je als lezer gestoord door de gekke ideeën van Nisha. En zij, die alles in haar leven, hoe lastig ook, aan elkaar fabriceert om haar ideeën over het leven staande te houden, geeft de afronding aan het verhaal. Met een overduidelijke symboliek wordt de meer dan gehint naar de discussie over oorspronkelijkheid.
Maar voegt dit boek nu nog wat toe aan die dialoog? Met alle hints die ernaar gegeven worden spreekt dit boek geen duidelijke visie uit, ook duidt het niet een ongezegd standpunt. De vader van het verhaal wilde niet de ouderlijke rol op zich nemen. Hij is er ingeluisd. Het is niet mogelijk een moeder, drager van het vrucht te waarderen om haar doorzettingsvermogen. Nisha zelf heeft haar eigen verhaal en later incorporeert ze het verhaal dat zij samen met Otto maakt, maar ze is geen geloofwaardige verteller meer. Maar dat hoeft ook niet. Haar verhaal verwijst zelfs terug naar dat van Otto. Maar die blijft als een gedwongen en leeg persoon.
Uiteindelijk moet je dan als lezer de rekening opmaken. Dit verhaal gaat over iets anders dan over de reconstructie van een levensgeschiedenis. Zoals Otto het zelf stelt heeft daar zelfs niets meer mee te maken: ‘Dit was een ranzige mengeling van een boeketreeksromannetje, een detective en een pornografisch geschrift’. En Nisha mag ze dan misschien niet op een rijtje hebben, toch ziet zij zijn deel aan het verhaal wel degelijk, en ze eist ook zijn verantwoordelijkheid op na de geboorte van hun verhaal. Maar of je als lezer Otto nog wilt zien als schrijver is onwaarschijnlijk. Helaas is uiteindelijk de lezer het kind van de rekening.

1 reactie tot nu toe ↓
1 Deborah // 19 feb 2009 at 19:26
Het lijkt me een interessant concept, jammer dat het zulke onhebbelijke personages zijn, want ik heb nu niet bepaald zin gekregen in dit boek van Peter Drehmanns.
(‘t is trouwens Nisha Bijlsma, niet Blijsma)
Bedankt dat je het ‘voor me’ gelezen hebt!
deborah
Reageer