Sharon Hagenbeek is Watching You!

Wie denkt die kerel wel niet dat hij is?

door

Het is niet vaak dat er een filosofisch werk verschijnt waarbij men stil moet blijven staan. Die Welt als Wille und Vorstellung (WWV), dat Arthur Schopenhauer schreef in 1859, is zo’n boek. Een ieder met de ambitie voor het schrijven van een groots filosofisch werk moet zich wel vermaken met de bijzonder soepele en ronduit elegante schrijfstijl van Schopenhauer. Dat is wellicht een ongebruikelijke manier van schrijven voor een filosoof, maar er is in dit boek genoeg te vinden dat de lezer zijn bedenkingen laat hebben.

Schopenhauers ideeën bleven haast zijn gehele leven onopgemerkt en naar eigen zeggen kwam dat doordat een werk eerst de wrok van zijn tijdgenoten moet overleven, alvorens ‘het geheel op zichzelf staat en zorgvuldig wordt bewaard, als was het een meteoriet, afkomstig uit een andere ordening van dingen dan we hier gewend zijn’[1]. Hier is een filosoof die duidelijk een hoge pet van zichzelf opheeft. Er zijn ook een aantal anekdotes over hem bekend die verre van vleiend zijn, en het beeld oproepen van een zeer egocentrische man.

Als hij dan vervolgens ook nog eens bijzonder oncollegiaal spreekt over zijn vakgenoten – zo noemt hij de alom gewaardeerde Hegel een idioot en een blaaskakende sofist[2] –,  dan zal de gemiddelde lezer toch wel de wenkbrauwen ophalen en vervolgens denken: wie denkt die kerel wel niet dat hij is? Zelden was een dergelijke vraag zo toepasselijk voor een recensie van een filosofisch schrijven, als bij dit boek.

Enigszins flamboyant en zonder zichtbare gêne haalt Schopenhauer flink uit naar zijn collega’s, het maakt tot een vermakelijke lezing van wat normaliter al gauw bestempeld wordt tot saaie of irrelevante stof. Het is Schopenhauer echter niet te doen om zijn filosofie spannend of pittig te maken. Ook gaat het hem er niet om al zijn lezers de ogen te doen openen of ze te bekeren tot zijn visie.

Nee, Schopenhauer ziet zichzelf als een filosoof die ideeën heeft. De genialiteit die hij zichzelf elke keer weer toeschrijft, lijkt hem de ruimte te geven om zich als een verschrikking te gedragen. Hij is zeker een originele denker, maar is dat vanwege zijn ideeën of is dat door zijn ego? Met andere woorden: past zijn onhebbelijke gedrag bij zijn filosofie? Het antwoord op deze vraag vinden we als we de lijn van zijn betoog volgen en dat naast een aantal anekdotes van zijn leven houden.

Schopenhauers filosofie
“In de oneindige ruimte talloze lichtgevende bollen, om elke waarvan zo’n dozijn kleinere cirkelen, door de grote verlicht; ze zijn van binnen heet en overtrokken met een gestolde, afgekoelde korst; op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voorgebracht – dit is de empirische waarheid, de realiteit, de wereld. Voor een denkend wezen is het hoe dan ook een netelige zaak om op een van die talloze, vrij in de onbegrensde ruimte zwevende bollen te leven, zonder te weten waarvandaan of waarheen, en om slechts één van ontelbare gelijksoortige wezens te zijn die zich daar al ploeterend en tobbend verdringen, die in een vloek en een zucht ontstaan en vergaan, in een tijd zonder begin en zonder einde.”[3]

Zo opent het tweede deel van WWV, lekker optimistisch. Het is een haast lyrische beschrijving van de daadwerkelijke realiteit en het beperkte leven dat een lijden is voor elk denkend wezen.

Zoals er tijdens het ontstaan van planeten vaak geen mild klimaat bestaat en het voor een denkend wezen in den beginne louter een kwestie is van keihard overleven, zo ziet Schopenhauer het leven nog steeds: we leven enkel in opwachting van de dood en verstoken van geluk. Hij reduceert ons leven niet zozeer als wel dat hij het op een natuurlijke plaats zet. De mens is, in vergelijking met dieren, enkel te onderscheiden door zijn denkvermogen.

Het is goed om deze woorden in het achterhoofd te houden terwijl we onze blik richten op de filosofie van Schopenhauer. Daarin komt, zoals gezegd, eigenlijk elke andere filosoof er bekaaid vanaf – behalve misschien Plato en de Indiase Veda’s; zelfs zijn grote voorganger, Kant, moet de positieve waardering bekopen met een gehele appendix gewijd aan zijn fouten.

Desalniettemin neemt Schopenhauer, ondanks diens grote gebreken, het idee van Kant over dat de basis van zijn eigen filosofie zal vormen. Schopenhauers filosofie laat zich vatten in een enkele zin: de wereld is mijn wil en voorstelling. Hij ziet namelijk de wereld als voorstelling van het kennend subject. Alles wat wij kennen zijn verschijningen, oftewel fenomenen á la Kant. De wereld valt uiteen in het subject en het object. Het subject bezit een bewustzijn waarmee het de wereld, dus die voorstelling, kan kennen. Dit kennen voegt zich naar de wetten van dat bewustzijn, te weten de wet van toereikende grond, de wet van tijd, en de wet van ruimte. Dit bewustzijn is niet uit het niets ontstaan.

In den beginne was er volgens Schopenhauer enkel hetgeen wat de “schimmellaag” deed groeien, van waaruit zich langzaam aan leven ontwikkelde op aarde. Van het ontstaan van de planeet met haar schimmellaag, via planten, dieren naar uiteindelijk de mens[4]. Het kennen was reeds aanwezig bij de lagere verschijningsvormen, zoals het dier, maar daarbij moest het zich behelpen met louter aanschouwelijke kennis, dat wil zeggen onmiddellijk verkregen kennis van de wereld van de wilsverschijningen. De mens heeft kennen in de vorm van hersenen, waardoor het bewustzijn direct met de wereld als voorstelling ten tonele kwam[5]. In dat bewustzijn abstraheren we begrippen van de wereld en zo verkrijgen we a priori kennis. Hierdoor zijn we in staat abstracte begrippen, zoals onder andere verleden, toekomst en de eigen dood te hanteren. Doordat we ons zelfs bewust kunnen worden van de wetten van het kennen, kunnen we onszelf als het middelpunt van het universum zien. We kunnen dus ook, zoals Descartes, met behulp van de rede de realiteit en daarmee het bestaan van alle andere verschijningen ontkennen, maar dat is volgens Schopenhauer slechts een theoretisch egoïsme[6]. Hij maakt daar niet te veel woorden aan vuil, want het sluit niet aan bij de ervaring van het leven.

Wanneer Schopenhauer het kennen van het subject bespreekt, krijgt de verhouding van het subject tot de verschijning van het object niet alleen veel aandacht, ook het object komt uitgebreid aan bod. Dat is niet zonder reden, want in het verloop van zijn betoog zullen we leren inzien dat onze benadering van het object, de objectivatie, onze manier van de wereld en onszelf zien is. Maar belangrijker nog het object is voor ons slechts een verschijning van iets veel dieper: het ding op zichzelf.

Kant is voor Schopenhauer het grote voorbeeld en tot dusver leek hij hem geheel trouw te zijn gebleven. Nu wordt echter een belangrijk verschil duidelijk. Waar voor Kant het ding op zichzelf dat wij niet kunnen kennen, hetgeen dat achter de fenomenen schuilt, het echte object is, is dat voor Schopenhauer veel meer.

Volgens Schopenhauer is de wil het echte ding op zichzelf, en daarmee neemt hij duidelijk een andere positie dan Kant. Schopenhauers wil is het belangrijkste concept van zijn gehele filosofie. Als we normaal gesproken aan het woord wil denken, zullen we al snel denken aan onze eigen driften of juist een wil waarmee we onze (lichamelijke) neigingen bedwingen, maar dat sluit niet aan bij de wil die Schopenhauer voorstaat. De wil is een onstuitbaar streven, een blinde drang die zich als een onophoudelijke cyclus voortbeweegt, het is een doelloos eindeloos herhalen van zichzelf. Het is goed om hierbij in het achterhoofd te houden dat Schopenhauer het over een soort natuurwil of wereldziel[7] heeft.

De wil bestaat buiten de wetten van het bewustzijn waarmee wij de wereld als voorstelling kennen. Dat betekent dat de wil in alles, in elke verschijning, aanwezig is en tegelijkertijd kunnen we hem er niet zien, want dat gaat de wetten van het kennen van die voorstelling te buiten.

Doordat de wil zich buiten die wetten stelt is de wil één. De wetten van tijd en ruimte, tezamen het principium individuationis – hetgeen waarin het individu kan ontstaan –, zijn er tevens de reden van dat de wil zich buiten het bereik van de noodzakelijkheid bevindt; want noodzakelijkheid vereist oorzaak en gevolg, en die vereisen op hun beurt weer een tijd en plaats waarbinnen zij kunnen geschieden.

Hoewel deze wil veel groter is dan het subject, en zelfs buiten alle wetten van het bewustzijn van dat subject staat, betekent dat nog niet dat het subject er niets mee te maken heeft. Het subject, dat zoals eerder aangegeven de hogere trap in de verschijningspiramide[8] is, is desalniettemin, net als het geheel van de wereld, een verschijning van de wereld.

Tot dusver hebben we gezien hoe Schopenhauer voornamelijk gedachten overneemt van Kant. Bij de verschillende treden van objectivaties van de wil krijgen we nu ook te zien hoe Schopenhauer ruimte over heeft voor nog een andere filosoof, Plato. Schopenhauer gebruikt namelijk de ideeënleer van Plato om aan te geven hoe de verschillende (afzonderlijke) verschijningen zich verhouden tot de wil. De eerder genoemde abstracte begrippen zijn voorstellingen van de voorstellingen, terwijl intuïtieve voorstellingen direct aanschouwelijke voorstellingen weergeven. In de verschijningspiramide vinden we de verschillende voorstellingen geordend naar hoe dichterbij ze bij de idee van de wil staan. Deze incorporatie van Plato’s ideeënleer vindt zijn weerklank in Schopenhauers esthetiek, die we hier niet verder zullen bespreken.

Het is niet voor niets dat in Schopenhauers betoog ook de esthetiek een plaats krijgt. Hij ziet de kunst namelijk als iets dat ons tijdelijke verlichting verschaft van de waan van de dag, van het lijden dat nu eenmaal behoort tot het leven. De kunst stelt ons in staat om, al is het maar eventjes, los te komen van onze individualiteit en het leven te overzien. Aangezien het slechts een tijdelijk effect heeft, gaat Schopenhauer verder. Uiteindelijk komt hij uit bij de twee manieren waarop we met de kennis over het leven, dus over de wil, die hij ons heeft laten zien, kunnen omgaan met de wil.

We kunnen de wil bevestigen of ontkennen. Bij het bevestigen van de wil willen we voortdurend met de kennis hetzelfde als wat we daarvoor zouden willen zonder de kennis[9]. Zo zouden we voordat we de kennis verkregen uit louter egoïsme, de eigenliefde, of juist vanwege bepaalde dogma’s, handelen op basis van de wil. Bij de ontkenning van de wil wordt de kennis tot quiëtief dat al het willen kalmeert en uiteindelijk opheft. Hiermee kunnen we resignatie, of beter nog, verlossing bereiken. Dat laatste zien we bij heiligen. Zij hebben een transcendentale verandering[10] ondergaan waardoor ze niet meer de last van de verlangens en streven naar de individuele behoeften hebben.

De Mens Schopenhauer
Zojuist hebben we vluchtig het werk van Schopenhauer doorgelopen, om aan te komen bij datgene waar het hem om te doen is: de bevestiging of ontkenning van de wil tot leven. Schopenhauer geeft aan dat ‘men niet van hem mag verwachten dat hij een van de twee houdingen voorschrijft of aanbeveelt’[11] — en dat is opmerkelijk. Het is niet vaak dat we een filosoof tegenkomen die zegt te weten hoe het leven in elkaar zit en dan niet een bepaalde levenswijze voorschrijft. Dit wordt nog frappanter als men in oogbeschouwing neemt hoezeer hij gedurende zijn gehele betoog, van voorwoord tot appendix, geen kans onbelet laat om, als een belerende knorrepot, bevestiging te vragen (of liever gezegd te eisen) van zijn genialiteit.

Als we nu naar twee anekdotes kijken over het leven van Schopenhauer, dan lijkt het erop alsof hij voor zichzelf wel een keuze heeft gemaakt. Allereerst is er de kwestie Marquet[12]. Op 12 augustus 1821 bevond de buurvrouw van Schopenhauer, mevrouw Marquet, zich in de gang behorend bij de ingang van zijn woning. Hij vond het vervelend dat zij met haar vriendinnen daar nieuwsgierig wat probeerde mee te krijgen van zijn minnares. Dit was een te grote inbreuk op zijn privacy en er volgde een handgemeen waarbij hij zijn buurvrouw bij de keel greep en naar buiten sleurde. Marquet was bekend met het feit dat Schopenhauer goed gesitueerd was en heeft een rechtzaak tegen hem aangespannen. De uitkomst daarvan was dat hij haar de rest van haar leven een maandelijkse vergoeding moest betalen. Toen Marquet meer dan twintig jaar daarna kwam te overlijden, schreef Schopenhauer in zijn huishoudboekje op ‘Obit anus, abit onus’(‘de oude vrouw is dood, de last is weg’).

Dit getuigt natuurlijk niet van veel berouw. De gehele affaire toont een Schopenhauer die zich door externe prikkels laat leiden door egoïstische motieven.

Ook een tweede verhaal[13] over Schopenhauer toont een dergelijk beeld. Gedurende zijn sterfbed kreeg Schopenhauer bezoek van Wilhelm Gwinner. Aan hem vertelde Schopenhauer dat hij er niet mee zat dat zijn lichaam weldra door de wormen opgegeten zou worden, wel was hij bang dat zijn geest, zijn filosofie, mishandeld zou worden door universitaire filosofen. Het willen naleven in de herinnering van de anderen, de roem waar Schopenhauer zijn gehele leven tot aan zijn dood aan toe zo naar hunkerde, beschrijft Schopenhauer in zijn boek als een vorm van egoïsme, dat niet geleid wordt door kennis, maar de verschijning van de wil tot leven is[14]. We willen door leven na de eigen dood; de wil tot leven is zo sterk dat het individu zijn plaats en beperktheid wil overstijgen.

Indien Schopenhauer zich zo liet leiden door wilsmotieven, ondanks dat hij wel de kennis had – want hij had die zelf beschreven – dan zouden we kunnen concluderen dat hij gedurende zijn leven gekozen heeft om de wil tot leven te bevestigen.

Met zijn filosofie in de hand is het dan ook te begrijpen dat Schopenhauer zich zo onuitstaanbaar kon gedragen. Op het eerste gezicht oogt zijn gedrag paradoxaal ten aanzien van zijn filosofie die toch zeker ook een bepaalde stoïcijnse onbewogenheid propageert. Het is echter een onbewogenheid ten aanzien van het besef dat de mens, en met name het individu, insignificant is in het geheel van wereld. Het is niet een oproep tot het opdoen van kennis. Uiteindelijk is het een weergave van de kennis dat de wil alles bepaalt. We zullen ons daarbij neer moeten leggen, anders zal het leven nooit iets meer worden dan een grote lijdensweg.

Of het om dit lijden tegen te gaan beter is om de wil tot leven te bevestigen of te ontkennen, is een vraag die onbeantwoord blijft. Misschien is dat voor Schopenhauer ook om het even, het zou volgens hem in ieder geval een ernstige overschatting zijn om te denken dat het individuele leven en de gekozen invulling daarvan ook maar iets uitmaakt voor de wil.

Hiermee lijkt Schopenhauer zijn pretenties te hebben waargemaakt. Hij is inderdaad een genie en alleen al daarom hoeven we hem zijn gedrag niet zo kwalijk te nemen, want in de woorden van Schopenhauer: ‘de mens die met genie begiftigd is lijdt het meest’[15].

Geraadpleegde bronnen

  • Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling, deel 1, 1859, vertaald en toegelicht door Hans Driessen, 2008.

  • David E. Cartwright, Historical Dictionary of Schopenhauer’s Philosophy, The Scarecrow Press, Inc., 2005.
  • Simon Critchley: Over mijn lijk – wat filosofen en hun dood ons leren, vertaling door Fred Mathijsen, Uitgeverij Scriptum, 2011.
  • Bertrand Russell: Geschiedenis van de Westerse Filosofie, vertaald door Rob Limburg en Vivian Franken, Kosmos Uitgevers, 2008.
  • Rüdiger Safranski: Arthur Schopenhauer – De woelige jaren van de filosofie, vertaling door Uitgeverij Atlas/Vertaalgroep, uitgeven door Olympus, 2010.

[1] WWV I, IV, p.474

[2] WWV I, Voorwoord bij de tweede druk, p.47

[3] WWV II, p.13

[4] WWV I, II, p.255

[5] WWV I, II, p.250-251

[6] WWV I, II, p.191

[7] Wereldziel is een Hindoeistisch begrip, beter bekend als Atma. Toevalligerwijs heeft Schopenhauer zijn hond de naam Atma gegeven. Zie hiervoor Bertrand Russell: Geschiedenis van de Westerse Filosofie, p.784, vertaald door Rob Limburg en Vivian Franken, Kosmos Uitgevers, 2008.

[8] WWV I, II, p.254

[9] WWV I, IV, p.453

[10] WWV I, IV, p.577

[11] WWV I, IV, p.424

[12] Vgl. Rüdiger Safranski: Arthur Schopenhauer – De woelige jaren van de filosofie, p.382, vertaling door Uitgeverij Atlas/Vertaalgroep, uitgeven door Olympus, 2010. En Simon Critchley: Over mijn lijk – wat filosofen en hun dood ons leren, p.202, vertaling door Fred Mathijsen, Uitgeverij Scriptum, 2011.

[13] Rüdiger Safranski: idem, p.488. En David E. Cartwright, Historical Dictionary of Schopenhauer’s Philosophy, p.99, The Scarecrow Press, Inc., 2005.

[14] WWV I, IV, p.420

[15] WWV I, IV, p.456

Blog · Boekrecensies · Filosofie

 
 
 

3 reacties tot nu toe ↓

  • 1 P.P. Willems // 1 feb 2011 at 02:32

    Zelden tot nooit zo’n helder en fijn geschreven stuk over Schopenhauer gelezen. Dank hiervoor!

  • 2 Fred Byrman // 16 jun 2011 at 21:47

    Ik sluit mij geheel bij voorgaand commentaat aan. chapeau.

  • 3 Dirk De Smet // 16 jan 2013 at 21:57

    Knap en heldere uiteengezet.
    Ik mis één ding echter: volgens Schopenhauer ‘ontsnappen’ af en toe aan de terreur van de universele wil door het ‘medelijden’. Dit ‘voelen’ van leed bij de ander zou volgens hem ontsnappen aan de blinde, universele wil.
    Het moet uiteraard gezegd dat Schopenhauer dit medelijden in de praktijk niet bepaald heeft toegepast.
    Met vriendelijke groet,
    Dirk De Smet

Reageer

Comment: