Madame de Staël denkt over gevoelens en het begrip daarvoor, in plaats van de verlichting met als doel het verlichten door middel van kennis. In de literatuur (de romans) zou een uiteenzetting of schildering van het hele gevoelsleven van de mens te vinden moeten zijn. Het gaat hier om de roman als ethiek. Dat is geen verplichting aan de auteur. Het gaat haar namelijk om de ervaring van de lezer. Door middel van herkenbaarheid van de weergave van de alledaagse gevoelens zou de roman kunnen werken als een gids of morele steun. Alle gevoelens dienen dus ruimte te krijgen in de romans. Door in de roman het gewone en dagelijkse leven weer te geven zal de lezer betrokken kunnen raken bij het verhaal. Deze zou dan het verhaal als een gids voor omgang met de beschreven gevoelens kunnen vinden. De lezer zou door zijn leeservaring meer begrip voor gevoelens kunnen opdoen en daardoor beter in staat kunnen zijn geluk of het geluk van zijn omgeving te realiseren. Hiermee ontstaat het 19e eeuwse ideaal, namelijk een bijdrage aan het geluk van de mens, het aardse. Wat volgt is de losbarsting van romans en het begin van de romantiek.
Ik ben het met de visie van Madame de Staël in zoverre eens dat ik vind dat de literatuur inderdaad een dergelijke functie kan uitvoeren. Ik denk dus dat de roman in staat is om door middel van een weergave van gevoelens over het alledaagse hiervoor begrip bij de lezer te creëren. Ik ben echter van mening dat juist het vreemde, de oosterling – welke in de romantiek ook veel ruimte heeft gekregen – wél met een bepaalde afstand belicht wordt en dat de door Madame de Staël voorgestane gehele weergave van de wereld niet volledig mogelijk is. Vanuit de eigen wereld kan men niet al het vreemde gewoon maken, zelfs al blijft men in de buurt van het eigene of het eigen gevoel. Dus ik beschouw haar visie als gelimiteerd in de verbredingmogelijkheden voor het begrip van de lezer over de gehele wereld. Daarnaast beschouw ik het niet als de enige mogelijkheid voor literatuur om te realiseren dat de lezer begrip opdoet van de alledaagse gevoelens. Zo kan bijvoorbeeld juist vervreemding, zoals bij de structuralisten, begrip opwekken. Zelf sta ik dan ook meer een mogelijkheid tot spanning tussen het vreemde en het alledaagse voor. Niet alles hoeft daarbij geheel weergegeven te worden of te leiden tot morele steun. Zo geeft een boek als Het Proces van Kafka door middel van vervreemding een heldere visie op de werking van rechtvaardigheid voor het individu waar we zelf nauwelijks bij stil zouden staan, maar tegelijkertijd geeft dit boek hier geen morele steun voor. Het boek stelt de lezer enkel in staat te constateren en na te denken over het anders zo alledaagse.
Bovendien denk ik dat literatuur niet alleen het alledaagse begrijpelijk dient te maken. Ik beschouw daarmee literatuur niet alleen in staat om filosofie als ethiek of levensfilosofie, te verduidelijken of te onderbouwen. Alleen al literatuur als cultureel object zelf geeft de mogelijkheid om na te denken over wat cultuur is en daarmee wat literatuur is binnen de cultuur of wat voor functie zij dient uit te voeren binnen de cultuur. Er zijn voorbeelden te over van literaire werken uit het postmodernisme die de contouren van het idee van literatuur proberen te verkennen. Hierbij is te denken aan literatuur als Newsreel 20, van John Dos Passos uit 1981. In dit boek is een collage opgenomen als formeel onderdeel van de tekst zelf. Deze collage bestaat uit uitgeknipte krantenkoppen die zijn vermengd met stukken van radioverslagen. Als de krantenkoppen in de krant hadden gestaan hadden we er niet snel aan gedacht om deze teksten literair te benaderen. Maar doordat ze nu door formele en linguïstieke kenmerken zo bij elkaar, door elkaar, uit context en in één tekst zijn gezet, krijgen ze een literaire functie.
Ik beschouw de literatuur dus als breder in methodes dan Madame de Staël ziet en met de potentie om meer te bereiken bij de lezer dan Madame de Staël voorstaat.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer