Sharon Hagenbeek is Watching You!

“Ik hou van tv-kijken. Ik geloof dat waar je naar kijkt, aangeeft wie of wat je zou willen zijn.”

door

“Ik hou van tv-kijken. Ik geloof dat waar je naar kijkt, aangeeft wie of wat je zou willen zijn.” Mij is de vorige keer gevraagd om aan te geven met behulp van tenminste één filosofisch en één literair voorbeeld of ik het eens ben met deze quote van Jonathan Safran Foer als stelling.

Deze vraag riep bij mij als eerste het beeld op van de meest ranzige televisie die ik wist gekeken te hebben en ik zou niet willen dat het mij zou bepalen, of in mij zou bepalen de wat of wie ik wil zijn.

Ik kwam bij deze reflectie gelijk op het onderwerp van keuzevrijheid en daarbij op de vrijheid van meningsuiting. Hierbij is te denken aan de film Private Parts, over het leven van Howard Stern. Deze Amerikaanse DJ werd beluisterd met de voornaamste reden om te horen wat hij daarna ging doen. Hij liet orgasmen horen en dergelijk. Het was dusdanig uitdagend dat hij moest vechten om te mogen zeggen wat hij wilde.

In de hele wereld is het debat over vrijheid van meningsuiting tweeledig. Het is niet alleen de mogelijkheid om te mogen zeggen wat je wilt, ongeacht wie je kwetst in mijn optiek tenminste, het is even zeer te mogen luisteren of niet te hoeven luisteren naar welke mening die je wilt. Maar de vraag hier is of het iets betekenend is over/voor het individu die daar naar luistert of kijkt, dus elke ranzigheid die beluisterd wordt of niet zou een definitiebetekenis krijgen. Wat is de mens, is dan de vraag. Onmogelijk is het namelijk om betekenis toe te kennen, even buitenwege gelaten waarmee de betekenis toegekend wordt, zonder de mens te kunnen definiëren als een wezen welke betekenis kan dragen, hetzij een dusdanige of welke vorm dan ook.

Heimelijk zit hier een adder onder het gras, waar deze stelling eigenlijk om draait. In hoeverre is het namelijk mogelijk voor de mens om te kiezen. Buiten alle toevalligheden, heeft de mens volgens Hume enkel de custom of habit. De mens is enkel een dier van gewoonten. Deze gewoonten leiden ons, we zijn zelfs afhankelijk van deze gewoonten. Er bestaat niet zoiets als echte keuzemogelijkheid. Inmiddels zijn er meerdere wetenschappelijke denkbeelden te verzinnen die zich hier eerder bij aansluiten dan nog zoiets als de vrije wil willen toekennen aan het beestje de mens.
Voorbijgaan aan de vrije wil, wil ik niet en ik geloof ook niet dat dit de richting is welke Foer voor ogen had. Ik zal hier verder uitgaan van een keuzemogelijkheid voor waar wij onze waardering over uitspreken.

Ikzelf vind het mooie aan de kunst, als bijvoorbeeld literatuur dat het juist kan verwoorden wat ongezegd blijft, of juist met een knipoog naar Derrida, als kunst de aanwezigheid van de afwezigheid kan tonen.

Het vervelende aan deze vraag toont zich snel. Ik deed het al aan het begin. Gelijk geneigd is een ieder bij deze vraag, indien men uitgaat van wat de aanname van een dergelijke stelling betekent, om te kunnen stellen dat smaak iets zegt over de persoon. Dit is wel gelijk teniet te doen door heel makkelijk te stellen dat als voorwaarde voor deze stelling aangenomen moet worden dat iedereen niet alleen dezelfde keuzemogelijkheid heeft, maar ook dat de keuze op eenzelfde manier gevormd dient te worden, om via een universele methode wat te kunnen zeggen over de smaak. Nog belangrijker is dat indien dit mogelijk is, zouden er bepaalde smaken hiërarchisch boven andere smaken te moeten stellen zijn of zouden smaken tenminste categorisch te verdelen moeten zijn. Immers hoe kan het iets zeggen over een persoon, als diens smaak niet te definiëren is tot behorend aan een bepaalde categorie.

Erg conservatief ben ik zelf niet, al zijn er bepaalde smaken van het conservatisme waar ik me helaas mee kan rijmen. Klassieke muziek is mooi, alleen ermee doodgegooid worden is mogelijk voor mij en dat is niet iets waar ik op zit te wachten. En het is voor mij al helemaal niet de enige muziek om te waarderen.

Nu zijn we bij een wat als, waar deze vraag, zoals eerder aangegeven, al snel naar neigt. Dit is haast onvermijdelijk en ook meer het interessante punt van deze stelling, althans voor mij en een aantal filosofen, waarmee ik mezelf helaas niet op hetzelfde rijtje mag zetten.
Zo valt voor Kant wel degelijk over smaak te twisten, maar niet te discussiëren. Hij zocht in onze waardering van het schone een universaliteit om moraliteit te funderen, overigens.
Deze stelling is niet gemakkelijk, maar ik ga hier toch proberen deze kort uit te leggen. Smaak is voor hem een zuiver persoonlijke aangelegenheid. Anders bij iets dat wij willen of iets binnen onze kennis, is het gevoel iets dat zich richt op het uiteindelijke oordeel en geen verstandelijkheid in het proces van totstandkoming kent. Onze waardering wordt niet een toevoeging tot het algemene begrip van het ding-an-sich, zoals ons begrip van wetenschappelijke kennis, doordat dit gevormd is in een proces waar de verstandelijkheid tenminste verantwoordelijk is voor de creatie van die kennis. Een synthetisch a-priori is ten slotte de voorwaarde voor alle mogelijke kennis. Echter voor Kant betekent de subjectiviteit van het gevoel of dus de smaak nog niet dat het onbetwistbaar is. In tegendeel subjectiviteit betekent dan wel dat jij de norm stelt voor het oordeel, maar het is nog niet gezegd dat de persoon en de norm samenvallen.

Over het schone kun je aan de hand Kant stellen dat het toekennen van een schoonheidsoordeel belangeloos geschiedt. Als je iets mooi noemt dan heeft dat buiten zichzelf geen enkel ander doel of nut. Een dergelijke belangeloze kijk op de dingen ontstaat alleen als je je niet hebt kunnen laten leiden door iets wat niet in het ding-an-sich zelf gelegen is.

Naast deze kant – te weten de kant van Kant – is dus wel te stellen dat desalniettemin het erkennen van iets schoons een individueel iets is. Heidegger sluit zich mooi bij Kant aan door te stellen dat schoonheid één van de wijze is waarop waarheid als een onverborgenheid geschiedt, voor hem is schoonheid dus ook als universele kennis kenbaar. Daartegenover is in mijn optiek niet op te maken wat schoonheid is. Voor een elk is dat anders. Graag wil ik afsluiten met een stukje uit Dagboek van de dief, van Jean Genet. In dit boek vertelt over hij zijn liefde voor de misdadiger. In het specifieke stuk toont hij gedeeltelijk deze liefde als voor iets schoons – een mening die niet veel zullen delen – maar daarnaast geeft hij een invulling van een andere mogelijkheid van het reflecteren over smaakkeuze.

De schoonheid van een morele handeling hangt af van de schoonheid van haar expressie. Als men zegt dat iets mooi is, dan is de schoonheid ervan reeds een uitgemaakte zaak. Het moet alleen nog bewezen worden. Daarvoor zorgen beelden, dat wil zeggen een overeenkomst met de pracht van de fysieke wereld. Een handeling is mooi als ze een gezang uitlokt en uit onze keel doet opstijgen. Soms dwingt het bewustzijn waarmee we aan een daad denken die als verachtelijk bekend staat of de kracht van de expressie die hem moeten aanduiden, ons tot gezang. Het is de schoonheid ervan die ons het verraad doet bezingen. Dieven verraden zou me niet alleen naar de morele wereld terugbrengen, dacht ik, maar ook naar de pederastie. Als ik sterk word, ben ik mijn eigen God. Ik dicteer. Toegepast op mensen betekent het woord schoonheid voor mij de harmonie van een gezicht en een lichaam, waar soms nog mannelijke gratie aan toegevoegd kan worden. Dan gaat de schoonheid gepaard met prachtige, heerszuchtige, superieure bewegingen. We stellen ons voor dat deze bepaald worden door zeer speciale morele gedragingen, en door dergelijke deugden in onszelf te cultiveren, hopen we onze armzalige gezichten en zieke lichamen de kracht te geven die onze geliefden van nature bezitten. Jammer alleen dat deze deugden die zij zelf nooit bezitten onze zwakheid uitmaken.

Het moge duidelijk zijn dat ik gefaald ben in mijn opdracht, ondanks dat ik er meer tijd voor heb kunnen nemen, wat ik overigens goed in perken heb gehouden al zeg ik het zelf. Ik heb niet aan de hand van een filosofisch of een literair voorbeeld kunnen aantonen waarom het kiezen van iets, zoals bijvoorbeeld het kijken van televisie, zou aangeven wie of wat je zou willen zijn. Psychologisch en neurobiologie, om maar een paar wetenschappen te noemen, zullen er uiteraard goede redenen te vinden kunnen zijn, echter met een dergelijk onderzoek begeven we ons al gelijk op het wetenschappelijke vlak wat noch de filosofie, noch de literatuur bestrijken.
Wel heb ik laten zien wat de beweegredenen kunnen zijn, wat onze mening voor of tegen een dergelijke stelling kan laten schuiven, al is dit dus onterecht. Ik heb geprobeerd dit te onderbouwen met een filosofisch voorbeeld, te weten de kant van Kant. Voor hem is de schoonheid, welke al dan niet hiërarchisch te plaatsen is ten opzichte van andere keuzen, in het object gelegen is, waarbij het de taak van het subject is deze te herleiden. Het literaire voorbeeld van Jean Genet toonde een mogelijkheid tot het nemen van een iets andere positie ten opzichte van de oorsprong van het schone. Dit wordt mooi verwordt door de bekende spreekwijze: beauty is in the eyes of the beholder. Bij hem is schoonheid een kwaliteit die door het subject terecht wordt toegewezen aan het object. De schoonheid bestaat alleen in de kwalificatie.
De schoonheid van het wezen van de mens laat zich in mijn optiek niet determineren door de keuze die de mens maakt. Eveneens laat de schoonheid van het ding-an-sich voor mij niet bepalen wat of wie iemand wil zijn die voor dit specifieke ding-an-sich kiest.
Wat mij nu nog rest, is jullie alle te attenderen op de schoonheid van de onwetendheid. Het dankzij de wetenschap nog niet in staat zijn te kunnen besluiten of de stelling juist of onjuist is, is misschien of juist de zegen.

Blog · Filosofie · Lezingen · Literatuurwetenschap

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: